Ik wil het niet, ik schaam me er voor, maar het is er wel, ik ben jaloers. Natuurlijk, ik heb ook een groot hart, dat is er ook, maar er is ook iets diep weggestopt dat de ander iets niet gunt.
Pas geleden vond ik de moed om het in te brengen tijdens een afspraak met mijn focusmaatje. Het begint met een onaangenaam gevoel in mijn keel – daar zit dat wat zich schaamt, wat vindt dat het er niet mag zijn. Het jaloerse zit dieper, ergens in mijn buik, ver weg gestopt, héél ver weg gestopt. Het is daar donker en het voelt klein, kinderlijk, het voelt als weggekropen. Er komt een beeld op van een kast onder de trap, donker, geen buitenlicht of -lucht. Het heeft de vorm van een levend wezentje, een kind en het zit daar niet alleen. Er zijn er nog meer. En ze zitten daar al heel lang. Ik begroet het. Ik voel een soort mededogen opkomen.

En dan komt er vanuit grote diepte een zinnetje op: ‘Natúúrlijk wil jij dat ook graag!’ Het klinkt als een begripvolle ouder die tegen een teleurgesteld kind spreekt. Het is een heerlijk geluid, ik vraag mijn maatje het nog eens te spiegelen en nóg eens. ‘Natúúrlijk wil jij dat ook graag!’

Ik voel me zacht worden, er rolt een traan over mijn wang. Het beeld ontrolt zich – ik zie een rijtje kinderen en er wordt iets uitgereikt. Wat het is zie ik niet. Er is niet genoeg voor ieder kind. Ik krijg niets maar het is helemaal niet erg. Het blijkt niet erg te zijn omdat ik voel dat ik niet terug in de kast hoef te kruipen, ik mag gewoon blijven staan. En dat voelt goed, zo goed. Mijn rug lijkt zich te rechten, letterlijk. Ik heb het niet gekregen maar ik mocht het wél graag willen. En dat maakt een enorm verschil. Het verandert totaal in mijn binnenwereld. Er ontstaat vreugde en plezier, en weer is er een beeld: niks net rijtje, alle kinderen roepen en rennen door elkaar heen, ik, ik, ik, nee ik. En het is heerlijk! Het gaat er helemaal niet om dat ik het een ander niet gun, nee het plezier zit in het mógen willen. Wauw wat een bevrijding! Ik mag wíllen.

En dat herken ik, niet alleen bij mezelf, maar ook bij cursisten en cliënten. Dat het verlangen er mag zijn lijkt veel belangrijker dan de vraag of je het verlangde vervolgens krijgt of niet. Het gaat dan overigens niet om het verlangen dat  gecombineerd is met ‘en ik zál het krijgen’ of ‘ik heb er récht op’ of  ‘ach ik kan het wel willen maar dat wordt tóch niks’ – nee dáár zit geen energie in.
Wat was het een heerlijke focussessie, zelfs nu ik het opschrijf voel ik opnieuw de energie ervan en ik moet denken aan dat mooie gedicht van Rainer Maria Rilke:

Wellicht zijn de draken in ons leven,
uiteindelijk wel prinsessen,
die er in angst en beven slechts naar haken,
ons eenmaal dapper en schoon te zien ontwaken.

Wellicht is alles,
wat er aan verschrikking leeft,
in diepste wezen wel niets anders,
dan iets dat onze liefde nodig heeft.

Mijn draak bleek inderdaad een prinses. De sessie heeft me zachter en liefdevoller gemaakt en met meer ruimte van binnen. Ik voel meer mededogen, niet alleen voor mijzelf maar ook voor mijn omgeving. En dat is de reden dat ik het hier in mijn kerstwens beschrijf.
Hoe het in de wereld moet weet ik niet, steeds minder eigenlijk. Maar ik geloof dat als mensen de prinsen en prinsessen in hun draken gaan herkennen er iets nieuws tot leven kan komen, iets moois dat vanuit zichzelf ook uitstraalt naar buiten. En misschien begint dat wel met de erkenning dat er mogelijk in iedere draak een prins of prinses verscholen zit

Mijn kerstwens voor jou is dat je de moed vindt om jouw draken onder ogen te zien, meer ruimte en liefde gaat ervaren en dat er zich in jou meer mededogen ontwikkelt, voor jezelf én voor je omgeving.